|
|
|
Refrein: Hijs de zeilen gezwind, want mijn vrouw wil een kind, En mijn zeemansbestaan moet ik
staken. Zeil dus uit met die vracht, Als een dief in de nacht. Voor ik nooit meer een zeereis
zal maken. Ik ben maar drie weken thuis, dan
weer in de kombuis, Of een kroeg aan de rand van
de haven. Ik heb een liefje of tien, wil
je ze af en toe zien, Voor wat troost, of mijn dorst
bij te laven. Mijn vrouw wacht heel trouw,
zegt ze: ik hou van jou, Waarom zou je niet steeds bij
mij blijven. Zoek een baan aan de wal, zeg
ik: doe niet zo mal, ‘k zal iedere maand of
zo schrijven. Legt het schip aan van zee,
wacht mijn vrouw aan de ree, Ze weet hoe ze mijn hart moet
verwarmen. Ben ik eenmaal gedrost, is
mijn plunje gelost, Lig ik vast in de greep van
haar armen. Ik ben sterk in mijn vak, maar
ja mannen zijn zwak, En ze legt me volmaakt in de
watjes. Vraagt ze: bleef je me trouw,
zeg ik: ja lieve vrouw, Want ik blijf trouw aan al
mijn elf schatjes. Nu wil zij een gezin, maar ik trap
er niet in, Want een zeeman geeft enkel om
water. Nooit mijn liefjes meer zien,
nee, niet een van de tien, Wordt mijn dood, mensen,
vroeger of later. Ja ik zie het nu al: ze wil mij
aan de wal, Wil me binden aan handen en
voeten. En dit is nu mijn klacht: ik
wil niet thuis dag en nacht, Maar ik vrees dat ik toch wel
zal moeten. |