|
Wieringen |
|
Wie gaat er mee naar Wieringen
varen, 's morgens vroeg al in de
dauw. Met een mooi meisje van
achttien jaren, dat zo graag naar Wieringen
wou. Schipper ik hoor de hanen
kraaien, schipper ik zie de vlaggetjes
waaien. Stuurman laat je roer maar
gaan, dan zullen we spoedig op
Wieringen staan. Meisje, jij hebt heus niets te
vrezen, varend op de Zuiderzee. Weldra zul jij op Wieringen
wezen, want de wind waait met ons
mee. Schipper ik hoor de hanen
kraaien, schipper ik zie de vlaggetjes
waaien. Stuurman laat je roer maar
gaan, dan zullen we spoedig op
Wieringen staan. Toenne we daar op Wieringen
kwamen, zagen we zoveel boeren staan. Die hunnen spek met lepels
aten, daarvoor zou je naar Wieringen
gaan. Schipper ik hoor de hanen
kraaien, schipper ik zie de vlaggetjes
waaien. Stuurman laat je roer maar
gaan, dan zullen we spoedig op
Vieringen staan. Straks in taveerne "HET
VERGULDE POORTJE", daar verkopen ze brandewijn. Een potje vol voor maar één
oortje, met kaneel en suiker erbij. Schipper zijn dat geen schone
dingen, laten we daarom blijven
zingen. Stuurman vaar ons naar het
feest, of ben je nog nooit op
Vieringen weest. Toenne we weer van Wieringen
gingen, was ons scheepje zwaar belaan.
Tonnen vol spek om van te
zingen, daarvoor zou je naar Vieringen
gaan. Schipper ik hoor de klokken
luiden, houd je koers vooral ten
zuiden. Feest met spek en brandewijn, je moet er voor op Wieringen
zijn. |