West-zuidwest van Ameland                
(Bron: Amelander Shantykoor)

West zuidwest van Ameland daar ligt een kolkje diep.

daar vangt men schol en schellevis, maar mooie meisjes niet.

Hoog, hoog, ja hoog, ja hoog, de ballast die is droog.
Maar onder op de grond is hij zo nat als stront.

Hoog is de zolder, laag is de vloer.
Mooi is het meisje, maar lelijk is de moer.

Hoog, hoog, ja hoog, ja hoog, de ballast die is droog.
Maar onder op de grond is hij zo nat als stront.

Toen 'k laatst uit Suriname kwam, zag ik van ver een schip.
Ik dacht dat 't aan de wolken hing, maar het zat al op een klip.

Hoog, hoog, ja hoog, ja hoog, de ballast die is droog.
Maar onder op de grond is hij zo nat als stront.

En op die klip een koe, een wonderbare koe.
Die alle dagen kalven moest, zij was er raar aan toe.

Hoog, hoog, ja hoog, ja hoog, de ballast die is droog.
Maar onder op de grond is hij zo nat als stront.

Het was een vruchtbaar jaar, het was een vruchtbaar jaar.
Dat alle vrouwen kraamden, en ik de vader waar.

Hoog, hoog, ja hoog, ja hoog, de ballast die is droog.
Maar onder op de grond is hij zo nat als stront.

 

 

 

Dit ballastliedje werd gebruikt bij het laden van de ballast in een leeg schip. Met name bij de bewoners en de schippers van de waddeneilanden was dit een veel gehoorde shanty. De beladen schepen gingen bij hoogwater op de rede of ree voor anker zodat ze bij laagwater kwamen droog te vallen. Dan kon de eilander voerman met zijn paard en wagen langszij van het schip komen en zo dus de lading, bestemd voor het eiland, overnemen. Als het schip leeg was en weer wilde vertrekken, maar de wind haalde wat lelijk door en de schipper vertrouwde het niet helemaal, dan gingen ze eerst met manden het Wad op, schepten daar zand in en storten dit als ballast in bepaalde plaatsen in het ruim van het schip. Men wil beweren dat dit liedje zijn oorsprong heeft op Terschelling maar het was ook bekend op de andere eilanden. Alleen de uitvoeringen waren dan verschillend.