Wat lijdt den Zeeman al verdriet

 

 

Wat lijdt den Zeeman al verdriet,

Bij nachten en by dagh,

Als hy de doot voor oogen siet,

En niet ontvluchten magh,

Door storm en groot onweer,

En gewelt van de baren,

Dat brenght ons des te meer

In angst en groot bezwaren.

 

Godt helpt haer dan wel uyt den noodt,

Die hem aanroepen seer.

Hy wil niet den Sondaer zijn doodt,

Maer dat hy hem bekeer,

Want door sijn stercke handt

Gaat hy den Mensch weer laven,

En brengt hem weer te landt

In een gewenschte Haven.

 

Als sy komen te lande sijn,

Soo is haer eerste werck

Te drincken Toback en Brandewijn,

Gaen weynigh in de Kerck,

't Is haer vergeten dra,

Dat haer den Heer gepresen,

Trouw hielp door sijn gena,

Uyt angst en groote vreesen.

 

Met Vrouwtjes van den lichten aert

Raken sy op het wilt.

Sy moeten weder op de Vaert

Als 't Gelt al is verspilt.

't Is haer geen groote eer,

Noch minder voor de Vrouwen,

Want sy na Godes Leer

Haer sedigh moeten houwen.

 

 

Wat heeft de zeeman toch een verdriet

Zowel overdag als 's nachts,

Als hij de dood voor ogen ziet,

En niet ontsnappen kan,

Door storm en hevig onweer,

En het geweld van de golven,

Die ons zozeer brengen,

In angst en grote nood.

 

God helpt hen dan wel uit het gevaar,

Die een beroep op Hem doen,

Hij is niet uit op de dood van de zondaar,

Maar op diens bekering.

Want door Zijn sterke hand,

Geeft hij de mens weer kracht,

En brengt hem weer aan land,

In een gewenste haven.

 

En als zij dan weer aan land zijn,

Dan is de eerste daad,

Gaan drinken, tabak en brandewijn,

Naar de kerk gaan doen ze niet vaak,

Snel zijn zij vergeten,

Dat zij de Heer moeten prijzen,

Die hen geholpen heeft met Zijn Genade,

In tijd van angst en vrees.

 

Met vrouwen van lichte zeden,

Gaan zij aan de boemel,

En zo moeten zij weer gaan varen,

Als het geld is verspild.

Het is geen grote eer,

Nog minder voor de vrouwen,

Want zij zouden zich moeten gedragen

Naar Gods leer.