
|
Wat lijdt den Zeeman al verdriet |
|
|
Wat lijdt den Zeeman al
verdriet, Bij nachten en by dagh, Als hy
de doot voor oogen siet, En niet ontvluchten magh, Door storm en groot onweer, En gewelt
van de baren, Dat brenght
ons des te meer In angst en groot bezwaren. Godt helpt haer
dan wel uyt den noodt, Die hem aanroepen seer. Hy wil niet den Sondaer zijn doodt, Maer dat hy
hem bekeer, Want door sijn
stercke handt Gaat hy
den Mensch weer laven, En brengt hem weer te landt In een gewenschte
Haven. Als sy
komen te lande sijn, Soo is haer
eerste werck Te drincken
Toback en Brandewijn, Gaen weynigh
in de Kerck, 't Is haer vergeten dra, Dat haer
den Heer gepresen, Trouw hielp door sijn gena, Uyt angst en groote
vreesen. Met Vrouwtjes van den lichten aert Raken sy
op het wilt. Sy moeten weder
op de Vaert Als 't Gelt al is verspilt. 't Is haer geen groote eer, Noch minder voor de Vrouwen, Want sy
na Godes Leer Haer sedigh
moeten houwen. |
Wat heeft de zeeman toch een
verdriet Zowel overdag als 's Als hij
de dood voor ogen ziet, En niet
ontsnappen kan, Door
storm en hevig onweer, En het
geweld van de golven, Die ons
zozeer brengen, In angst
en grote nood. God helpt
hen dan wel uit het gevaar, Die een
beroep op Hem doen, Hij is
niet uit op de dood van de zondaar, Maar op
diens bekering. Want door
Zijn sterke hand, Geeft hij
de mens weer kracht, En brengt
hem weer aan land, In een
gewenste haven. En als
zij dan weer aan land zijn, Dan is de
eerste daad, Gaan
drinken, tabak en brandewijn, Naar de
kerk gaan doen ze niet vaak, Snel zijn
zij vergeten, Dat zij
de Heer moeten prijzen, Die hen
geholpen heeft met Zijn Genade, In tijd
van angst en vrees. Met
vrouwen van lichte zeden, Gaan zij
aan de boemel, En zo
moeten zij weer gaan varen, Als het
geld is verspild. Het is
geen grote eer, Nog
minder voor de vrouwen, Want zij zouden zich moeten
gedragen Naar Gods
leer. |