|
|
|
Zondagmorgen toen kregen we de
loods aan boord, En we moesten vertrekken
voort, ja voort, En het windje waaide voor ons
zeer goed, En het water stond wel
zeventien voet. Zo zeilden wij de haven in, zo
zeilden wij de haven in. En de haven van Terschelling met een volle zwier, En dat was voor ons een groot
plezier! Negen weken lagen wij daar aan
de pier, En we gingen alle nachten met
de meisjes aan de zwier. Terschellinger meisjes zoet,
Terschellinger meisjes zoet. Maar nu zijn we van onze pleziertjes beroofd, Onze trossen staan vast al op
het houten hoofd. Houd de sloepen en jollen maar
bij de hand, Maak de trossen maar los met
een goed verstand. Zo zeilen wij de haven uit, zo
zeilen wij de haven uit. Nu adieu, Terschellinger meisjes zoet, Wij verlaten u met spoed,
schep goede moed! Want wij kunnen u niet nemen
mee, Want wij gaan naar die woeste,
barre zee. Naar Doggersbank voorwaar,
daar komen wij weer bij elkaar. |