Reys na Oost-Indiën

Uit: Delfsche Helicon (Amsterdam ca. 1720)

Reys na Oost-Indiën

 

0 schoon Europia,

Nu wil ik reyze gaan,

Na dat rijk Asia,

Om te bezien,

Ik heb zo lang gedagt,

Mijn vrolijk Hert dat lagt,

Dat ik werde verwagt

Te Batavia:

Ik ga bezoeken de Indiaan,

Want zijn Waaren,

Doe mijnder verklaaren,

Staan mij wel aan.

 

En reyze dan zo voord,

Lustig en ongestoord,

Ik zeg 't u, aanhoord,

Het gaat zo wel.

Voor zeven jaaren tijd

Ik zo mijn tijd verslijt,

Hier mee zo gaat de Fluyt

Na Batavia,

Banda, Samater ende Ceylon,

En in Tarnaten,

Zijn brave Soldaten,

Ook in Ambon.

 

Daar de Noot met zijn bast,

En zwarte Nagelen wast,

Peper met menig last,

Lak en Yvoor.

Tot Banda, hoord vermaan,

Zullen wy, wild verstaan,

Lustig de Trommel slaen,

U na 't gehoor,

En houwen ons daar zonder gevaar,

Speelen zeer aardig,

Lustig en vaardig,

Met d' Zwartinn' klaar.

Reis naar Oost-Indië

 

0 mooi Europa,

Nu wil ik gaan reizen,

Naar het rijke Azië,

Om het te bekijken,

Ik heb er zo lang aan gedacht,

Mijn vrolijk hart dat lacht,

Dat ik word verwacht

In Batavia:

Ik ga Oost-Indië bezoeken,

Omdat zijn producten,

Hoor mijn verklaring,

Mij goed bevallen.

 

En dan reizen we verder,

Blij en ongestoord,

Ik zeg U, luister,

Het gaat erg goed.

Al zevenjaar

Besteed ik zo mijn tijd,

Met de Fluyt mee

Naar Batavia,

Banda, Sumatra en Ceylon,

En in Ternate,

Zijn dappere soldaten,

En ook op Ambon.

 

Waar de noot met zijn bast,

En de zwarte kruidnagelen groeien,

Peper in grote hoeveelheden,

Lak en ivoor.

In Banda, luister,

Zullen wij, begrijp me goed,

Vrolijk op de trommel spelen,

Op aangenaam klinkende manier,

En daar verblijven zonder gevaar,

En heel aardig spelen,

Vrolijk en bedreven,

Met de prachtige donkere meisjes.

 

 

Fluyt: driemaster koopvaardijschip

 

In 1602 werd op aandringen van de Staten-Generaal de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht, waarin afzonderlijke initiatieven werden gebundeld. Bijna twee eeuwen lang, tot 1795, bezat de VOC het Nederlandse monopolie voor de handel op Azië. Ze groeide uit tot een belangrijke territoriale macht, die behalve matrozen ook soldaten in dienst had. Het onbetwiste handelscentrum in Azië was Batavia, door Jan Pieterszoon Coen in 1619 gesticht nabij het door hem verwoeste Jayakarta.


De reis naar de Oost duurde zo'n zeven maanden. De zeelui keerden doorgaans pas na zo'n vijf jaar terug - als men tenminste alle gevaren had overleefd. Tijdens de eentonige reis waren er diverse vormen van muziek en zang. Met trommel en trompet, of fluit of schalmei, gaf men commando's en signalen door. Wanneer de tamboer de stad rondging wisten de manschappen dat ze aan boord moesten. Werd met een vijandelijk schip slag geleverd, dan blies de trompetter vanuit de mast vóór het eerste salvo het Wilhelmus.
Er gingen soms muzikanten mee aan boord of matrozen die viool, fluit, hobo of bas speelden. Hun muziek kon de diplomatie ondersteunen. Wanneer men een inheemse vorst gunstig wilde stemmen werden muzikanten met geschenken vooruitgestuurd. Zo'n vorst kon danig onder de indruk raken van Hollandse boerendansen.


De matrozen zongen onder het werk aan boord. Met name het halen van de touwen en het hieuwen van het anker werd met ritmische formules begeleid. Bij het wisselen van de wacht, op vaste uren, zong men kwartierliederen. Bij het gebed 's ochtends en 's avonds werd er door de hele bemanning een psalm gezongen, waartoe psalmboekjes werden verstrekt.

 
Naast dergelijke functionele en ceremoniële muziek, van hogerhand verordonneerd, zong de bemanning ook voor het eigen vermaak. Veelal zelf gedichte zeemansliedjes weerspiegelen de leefwereld van de mannen vanaf het moment dat ze aanmonsterden en afscheid namen van de geliefde. Ze bezingen de heenreis met zijn vele gevaren, de aankomst in Batavia en het leven in Indië, de retourvaart en de thuiskomst - en na een maand of wat feestvieren, als het geld op is, opnieuw het aanmonsteren. De hele Oost-Indische cyclus is in de liederen te volgen. Ze werden gedrukt op liedblaadjes of in liedboekjes, waarvan sommige speciaal op zeelieden en Oost-Indiëvaarders mikten, zoals de Matroosen vreught (1696), De Vrolyke Oost-Indische Wellekomst-Drinker (ca 1740) en De Oost-Indische Theeboom (1767).


Er zijn liedjes die de aankomende matroos sterken in zijn voornemen naar de Oost te varen. Ze wijzen op de welstand van diegenen die terugkeerden, op de genietingen en rijkdommen die in de Oost liggen te wachten. Een beetje vent let niet op het gejammer van moeders en meisjes en dient het vaderland. Een minder positieve motivering spreekt uit het lied van de kalis ('kale neet') die vrouw en kinderen niet meer de kost kan geven en uit pure armoe aanmonstert voor een reis naar het Luilekkerland in de Oost. Daar zullen de zorgen vergeten zijn. Als in afscheidsliederen vrouwen aan het woord komen vrezen zij hun lief aan de dood te zullen verliezen, of - even erg - aan de geile Indische vrouwen die op de loer liggen.

 

Van de reis wordt de route bezongen of de avonturen onderweg: bloedige confrontaties met kapers - vooral Noord-Afrikaanse 'Turken' -, schipbreuk en de allesverzengende honger en dorst die de schipbreukelingen in het uiterste geval tot kannibalisme kunnen brengen. De aankomst in Batavia vormt ook het onderwerp van een lied, inclusief de Chinese en inlandse kooplieden die de binnengekomen schepen bestormen met hun handelswaar.


Vrouwen vormen een obsessie in het denken en zingen van zeelieden. De blanke liefjes van wie afscheid genomen is, de hoeren die ze onderweg bezoeken en de inlandse vrouwen en mestiezen die hen zullen verwelkomen. Nogal wat liederen vertellen van willige Indische vrouwen die mannen oppikken, verwennen en zelfs geld toegeven. Dat is nog eens een Luilekkerland! Ondank is echter het loon van de gekleurde vrouwen, wier liefde tijdens het verblijf in de Oost volop wordt genoten maar die tegen de tijd dat de thuisreis in zicht raakt als 'zwart geil vee' aan de kant worden gezet. Dan lokken immers weer superieure 'blanke billen'.


Na het afscheid van Batavia - de meeste Oost-Indische liederen spelen zich rond die stad af - loeren op de retourvaart weer de gevaren. Het passeren van de evenaar had een gunstige invloed op het moreel en dan werd er ook veel gezongen. Eenmaal thuis kan het verdiende geld meteen worden verteerd: waarden en hoeren staan al klaar. Nogal wat moralistische liedjes steken de draak met de 'heren van zes weken', die het geld niet in de zak kunnen houden, en met hun vrouwen, die in afwezigheid van manlief de nodige kinderen op de wereld blijken te hebben gezet, of in een bordeel werk hebben gevonden. Na die anderhalve maand potverteren is men weer de kalis van weleer - een gemakkelijke prooi voor zielverkopers - en begint het verhaal opnieuw.

(Louis Peter Grijp)