
|
Pique
la baleine (Bron:
Zingerij Dwarsgetuigd Nuenen) |
|
|
Pique la baleine 1. Pour retrouver ma douce amie, Oh, mes boués! Ouh
la, ouh la la! Pique la baleine, joli
baleinier Pique la baleine, je veux
naviguer! 2. Aux milles mers j'ai navigué, Oh, mes boués! 3. Des mers du Nord aux mers du Sud, Oh, mes boués! 4. J' l'ai r’trouvé, quand j’m’ai noyé, Oh, mes boués! 5. Dans les grands fonds elle m'éspérait, Oh, mes boués! 6. En couple à elle je me suis
couché, Oh, mes boués! 7. Tous deux ensemble, on a pleuré, Oh, mes boués! |
Raak
de walvis 1. Om
mijn zoetelief terug te vinden, Oh, mijn
jongens! Oh, la, Oh la, la! Raak de walvis, mooie harpoenier, Raak de walvis, ik wil graag varen! 2. Over
duizend zeeën heb ik gevaren, Oh, mijn jongens! 3. Om
de Noord en om de Zuid, Oh, mijn jongens! 4. Ik
heb haar teruggevonden, toen ik verdronken ben, Oh, mijn jongens! 5. In
de grote diepten zou ze op me wachten, Oh, mijn jongens! 6.
Samen met haar ben ik gaan slapen, Oh, mijn jongens! 7.
Samen hebben we allebei gehuild, Oh, mijn jongens! |
Roeilied
Een van de weinige bewaard gebleven
Franse roeiliederen. Het werd opgetekend door
de
beroemde Franse shantyvorser kapitein Hayet, zelf een zeilkapitein.
De Franse potvisjagers in de Pacific
zongen dit lied bij het roeiend benaderen van de potvis
om deze
te harpoeneren (piquer).
In de Guide des Chants de Marins
wordt dit lied echter gerangschikt bij de ballades!
Het thema van dit lied – het zoeken naar
de gestorven liefde – komt overeen met dat van het
Engelse
gangspillied ‘Lowlands’.
+ + + + + + + + + + +
Boués = een verbastering
van het Engelse boys. Op de Franse walvisvloot, die tussen 1820 en 1868 haar
bloei beleefde,
bestond soms tweederde van de bemanning uit Amerikanen.
Daardoor hebben verschillende Franse shanties
stukken overgenomen van de tekst of de melodie van
Engelstalige shanties.
Harpoenier = De roeiers van de vangboten
van de Franse potvisjagers in de Stille Zuidzee zongen dit lied.
Als ze
hun prooi in zicht kregen, werden de boten gestreken en roeiden ze met lange,
krachtige slagen
op
het reusachtige zeemonster af. Zodra de balancier, de harpoenier, de kans kreeg, wierp hij zijn
harpoen,
in
de hoop dat hij stevig vast zou komen te zitten.
Zat de harpoen eenmaal
in dat grote lichaam, dan werden de riemen overgelegd en begon wat men
noemde
de ‘Nantucket sleigh ride’. Met een vaart van zo’n
twintig mijl per uur ging de potvis er vandaar
en
sleurde de boot aan de snaarstijf gespannen harpoenlijn achter zich aan.
Zodra het monster
vermoeid begon te raken, kwamen de boten weer naderbij, waarna de stuurman
het
arme dier met een welgemikte stoot de lans in het hart stak. Dit barstte open
met het gevolg dat er
een
fontein van bloed uit het ademhalingsgat van de potvis spoot. ‘Zijn schoorsteen
vliegt in brand’, zei men dan.
(Uit: Stan Hugill, Zeemansliederen (Bussum
1978).