Partons, la mer est belle

(Bron: Jaco Schippers Koor, Vertaling: Jan de Boer)

 

Partons, la mer est belle

               

1. Amis, partons sans bruit,

La pêche sera bonne,

La lune qui rayonne,

Éclairera la nuit.

Il faut qu'avant l'aurore,

Nous soyons de retour,

Pour sommeiller encore ,

Avant qu'il soit grand jour.

 

(Refrain)

Partons la mer est belle,

Embarquons-nous pêcheurs,

Guidons notre nacelle,

Ramons avec ardeur,

Aux mâts, hissons les voiles,

Le ciel est pur et beau,

Je vois briller l'étoile,

Qui guide les matelots.

 

2. Ainsi chantait, mon père,

Lorsqu'il quitta le port,

Il ne s'attendait guère,

A y trouver la mort,

Par les vents, par l'orage

Il fut surpris soudain,

Et d'un cruel naufrage,

Il subit le destin.

 

(Refrain)

 

3. Je n'ai plus que ma mère,

Qui ne possède rien,

Elle est dans la misère,

Je suis son seul soutien.

Ramons, ramons bien vite,

Je l'aperçois là-bas,

Je la vois qui m'invite,

En me tendant les bras.

 

 

VISSERS IN DE NACHT

 

Wij gaan de zeilen hijsen

want helder is deze nacht

De maan die schijnt als zilver

De golven die kabbelen zacht.

Komaan, wij moeten vissen

Zolang de nacht ons regeert.

Wij gaan weer naar het land toe,

Als ’t licht van de zon wederkeert.

 

(refrein)

Kom laten wij vertrekken,

De zee is kalm en glad.

De sterren die daar boven ons staan

Die leiden het schip naar ons brood:

De vruchten van de zee hier

In ’t donk’re zilte nat.

Wij moeten vechten voor ons bestaan

Wij strijden op leven en dood.

 

Zo sprak mijn vader toen hij

De haven weer es verliet.

De zilv’ren maan voorspelde

De rampspoed die naderde niet.

De storm stak op en greep

als een monster mens en ook boot

en zaaide onverbidd’lijk

alom het verderf en de dood.

(refrein)

 

Mijn arme moeder heeft mij

Vaak van die schipbreuk verteld.

Ik kan nu voor haar zorgen,

Verdien nu een klein beetje geld.

Het leven voor ons beiden

Is hard en soms ook heel zwaar,

Maar steeds als ik aan land ben,

gelukkig zijn wij bij elkaar.

(refrein)