KETELBINKIE

Toen wij van Rotterdam vertrokken
met de Edam, een ouwe schuit,
met kakkerlakken in de midscheeps
en rattennesten in 't vooruit,
toen hadden we een kleine jongen
als ketelbink bij ons aan boord,
die voor de eerste keer naar zee ging
en nooit van haaien had gehoord ....
Die van zijn moeder aan de kade
wat schuchter lachend afscheid nam,
omdat ie haar niet durfde zoenen,
die straatjongen uit Rotterdam.

Hij werd gescholden door de stokers
omdat ie van de eerste dag,
toen we maar net de pier uitwaren
al zeeziek in het foc'sle lag,
en met jenever en citroenen
werd hij weer op de been gebracht,
want zieke zeelui zijn nadelig
en brengen schade aan de vracht ....
Als ie dan sjouwend met zijn ketels
van de kombuis naar voren kwam,
dan was het net een brokkie wanhoop,
die straatjongen uit Rotterdam.

Wanneer ie 's avonds in z'n kooi lag
en na z'n sjouwen eind'lijk sliep,
dan schold de man die wacht te kooi had
omdat ie om zijn moeder riep,
toen is ie op een mooie morgen
't was in de Stillen Oceaan,
terwijl ze brulden om hun koffie
niet van zijn kooigoed opgestaan ....
En toen de stuurman met kinine
en wonderolie bij hem kwam,
vroeg hij een voorschot op z'n gage,
voor 't ouwe mens in Rotterdam.

In zeildoek en met roosterbaren
werd hij die dag op 't luik gezet,
de kapitein lichtte z'n petje
en sprak met groc-stem een gebed,
en met een één twee drie in Godsnaam
ging 't ketelbinkie overboord,
die 't ouwetje niet durfde zoenen
omdat dat niet bij zeelui hoort ....
De man een extra mokkie schoot-an
en 't ouwe mens een telegram,
dat was het einde van een zeeman,
die straatjongen uit Rotterdam.

 

 

Ketelbinkie is voor een belangrijk deel het persoonlijke verhaal van tekstdichter Anton Beuving,

pseudoniem van Anton Pieter Arie Oliemans (1902 – 1977).

Oliemans werd geboren in Rotterdam, maar verhuisde op jonge leeftijd al naar Amsterdam waar

hij op kantoor ging werken. Zijn hartenwens was om naar zee te gaan en in 1919 monsterde hij tegen

de zin van zijn ouders aan voor de grote vaart, als messroomboy, als bediende in de eetzaal en het

dagverblijf van de officieren aan boord. Maar meteen op deze eerste reis kreeg Oliemans schurft

en kon hij het werk waarvoor hij was aangenomen niet meer doen. Hij ruilde met de jongen die koffie

en thee rondbracht, en daarmee werd hij het ‘ketelbinkie’ aan boord.

Maar de huidziekte werd erger en er kwam nog heimwee bij ook. Op zeker moment was Anton er zo

slecht aan toe dat hij het liefst dood wilde. De bootsman en de eerste stuurman hebben hem niet

‘met een een-twee-drie in Godsnaam’ over boord gezet maar hem er bovenop geholpen, en Oliemans

heeft nog gevaren tot 1924.

 

Als kind was Oliemans al geïnteresseerd geraakt in het levenslied. Hij bewonderde de in die dagen

populaire dichter-zanger Speenhoff, en na verloop van tijd sloeg hij zelf ook aan het schrijven.

Vanaf 1936 verdiende hij zijn brood ermee. Levensliedjes, toneelstukken, hoorspelen en later ook romans.

In 1938 trad Oliemans als tekstschrijver in dienst van de Vara en in 1939 vloeide uit zijn pen de tekst

van het liedje ‘De straatjongen uit Rotterdam’, waarin hij veel van zijn eigen eerste zeereis verwerkte.

Hij veranderde vooral de afloop. In het liedje gaat de hoofdpersoon dood.

 

“De straatjongen uit Rotterdam’, op muziek gezet door Jan Vogel, heeft vermoedelijk in 1942 voor het eerst

op de radio geklonken, uitgevoerd door Frans van Schaik. Die merkte dat het liedje zo aansloeg dat hij het

in zijn repertoire opnam. Bij een optreden in Rotterdam zou het publiek om ‘Ketelbinkie’ hebben geroepen,

en onder die naam is het de geschiedenis ingegaan.

 

Dat de Edam, waarop het verhaal van ‘Ketelbinkie’ zich afspeelt, helemaal geen oude schuit was met

kakkerlakken en rattennesten, en dat dat schip ook helemaal niet over de Stille Oceaan voer, deerde het

publiek niet. De Edam van de Holland-Amerika Lijn (HAL) was een goed onderhouden 8.800 tons stoomschip

dat in drie klassen 990 passagiers kon vervoeren. Het heeft continu gevaren van 1921 tot aan de sloop in 1954.

 (BRON: Muziekweb, Rotterdam)