|
|
|
Vissers vertellen verhalen van
toen, Honderden jaren gelee. Woeste orkanen verzwolgen hun
stad, Trokken haar mee over zee. Vissers die zitten tot laat op
het strand, Knopen hun netten met zekere
hand. Toch denken zij aan die tijd
van weleer, Toen deze stad nog bestond. Schepen en schippers zij
keerden steeds weer, Totdat de zee hen verslond. Geesten en spoken die leven
nog voort, In de verhalen die je dan
hoort. Stormklokken luiden en
angstige kreten, Is er nog leven wie zal het
ooit weten. Maar de zeelui oud en wijs, Geven hun geheim niet prijs. Omdat het water koud en kil, Ook hen zal nemen als hij wil. ‘Niemand van ons heeft
de stad ooit gezien, Toch heeft zij eens echt
bestaan. Zo vele jaren die gingen
voorbij, Sinds d’ oude stad is
vergaan. Schuimende golven die
teist’ren de kust, Vissers die kennen de zee. Zij weten wat er op de
zeebodem rust, Dragen ‘t
geheim met zich mee. |