|
De Kock (Bron: Zingerij Dwarsgetuigd
Nuenen)
|
|
|
De Kock 1. Juchhei lustig Seggt
he, Ich bün Kock Seggt he, Drink ok geern, Seggt
he, Een Glas Grog, Seggt he, Fohr to
See, Seggt he, Twindig Jahren, Seggt he, Heww ok ümmer, Seggt he, Glüklich
fahr'n. 2. Geele Arften Kaak ik möör, Röör se ummer, Düchtig dör, . Een Stück Speck, Tämlich groot, Smeckt up See, Wurlich good. 3. Back ik Klüten, As bekannt, Spee ik eerst In de Hand, Maak se denn, Kugelrund, Smecken good, Sünd gesund. 4. Doch een
Deel, Ist dorbi, Dat ik sorg, Ok för mi, For mien Mo, For mien Fliet, Stäk ik wat, An de Siet. |
De kok Juchhei, vrolijk Zegt hij Ik ben kok. Zegt hij Drink ook
graag Zegt hij Een glas grog
. Zegt hij Voer op zee Zegt hij Al twintig
jaren Zegt hij Heb ook
altijd Zegt hij Gelukkig gevaren. Grauwe erwten Kook ik gaar Roer ze
steeds Stevig door. Een stuk
spek, Tamelijk
groot, Smaakt op
zee, Werkelijk
goed. Bak ik
balletjes, Zoals bekend, Spuug ik
eerst In mijn hand. Draai ze dan Kogelrond. Smaken goed, Zijn gezond. Maar een deel Is daarbij, Dat ik zorg Ook voor mij Voor mijn
moeite Voor mijn
vlijt Leg ik wat Aan de kant. |
Plattdeutsch gangspil- en braadspillied
Deze shanty
werd gezongen op de wijs van het vroeger bekende liedje ‘In Berlin, Sagt ‘Er.
Als er aan de
vallen getrokken moest worden, kwam de ruk bij de woorden ‘Seggt he!’.
Het is een verhaal waarin de kok wordt
beschreven als een man die helemaal geïsoleerd
van de rest van de bemanning leeft en die verdraaid goed weet dat ze
allemaal van hem
afhankelijk zijn.
Hij verdedigt zijn kombuis tegen
indringers, eventueel zelfs met behulp van het hakmes.
Het enige zeemanswerk dat de kok deed,
was het opvieren van de fokkeschoot bij het
overstag gaan, omdat die vlak bij zijn kombuis zat. Zodoende was ‘Hein Fockschoot’ dan
ook zijn bijnaam en in het Engels ‘Lord of the Foresheet’.
Verder noemde men hem op de meeste
Duitse en Scandinavische schepen ook nog ‘Doc’,
naar het Engelse ‘Doctor’.
Op de Noord-Europese zeilschepen hadden
al zijn bijnamen wel iets te maken met vuil,
vet of roet, zoals: Smutje, Smuddje, Smeerdraak, Smutt.
Op de Nederlandse schepen stond hij
bekend als Gifmenger, Vetsmelter, Kanebraaier of Eeltschroeier.
Uit: Stan Hugill, Zeemansliederen (Bussum
1978).
+ + + + + + + + + + +
Grog = Oorspronkelijk
de bijnaam van een Engels admiraal, die grofgreinen
(= grof geweven) kleren placht te dragen.
Na 1740 naam van
het door hem verordonneerde, met water aangelengde, oorlam: een mengsel van
rum, cognac
of jenever met warm water, soms met suiker en een
citroenschijfje. (Zie ook:All
for me grog)
Balletjes = Stan Hugill vertaalt dit als ‘gehaktballen’, maar uiteraard werd
er op een zeilschip zelden vers vlees gebakken.
Het zullen
wel meelballen zijn geweest.