De IJzeren Man        

     (Bron: Zingerij Dwarsgetuigd Nuenen)

 

1.  In Hellevoetssluis daar staat een huis,

Hoera die IJz’ren man

Daar zijn er de dames Baggerman thuis

Hoera die IJz’ren man

En in dat huis daar staat een stok

Hoera die IJz’ren man

Daar krijgen de dames mee op hun kop.

Hoera die IJz’ren man

 

Dan zingen wij vrolijk falderaldera,

Wie gaat er met ons mee?

Wij varen naar Amerika, het schip ligt op de reę

Wij varen naar Amerika, het schip ligt op de reę

 

2. Een juffrouw die naar de kerk wou gaan,

Die liet haar hoofd met goud beslaan.

Aan ieder haar had zij een bel,

Het was gelijk een klokkespel.

 

3. En toen zij nu de kerk in ging,

Toen gingen die bellen van ring ting ting.

De dominee die op de preekstoel zat,

Die dacht: O wee wat een wijf is dat!

 

4. De koster die dit werk bezag,

Die was van streek de hele dag.

De dienstmeid die dit werk bekeek,

Die was jaloers de hele week.

 

5. En die dit lied al heeft gedicht,

Die kan er rijmen zonder licht.

 

Hollands gangspillied.

 

Baggerman had een kroeg in Hellevoetsluis en ook een aantal dochters,

die aan huis het oudste beroep uitoefenden. Voordat de Nieuwe Waterweg

gegraven was, lagen de schepen op de rede van Hellevoetsluis.

De bemanning werd vanuit Rotterdam door de kostbazen van de

Schiedamschedijk met bootjes aan boord gebracht. Het lied is hier gekuist.

 

                                                 + + + + + + + + + + +

 

Dankzij de gunstige en strategische ligging aan het Haringvliet werd Hellevoetsluis in het begin van

de 17e eeuw een thuishaven voor de Hollandse Oorlogsvloot.  Toen Hellevoetsluis in 1830 door de

aanleg van het Kanaal door Voorne voorhaven werd van Rotterdam, begon een periode van enorme

groei en bloei; scheepvaart gaf welvaart. Zeeschepen werden echter te groot voor deze verbinding en

aan het einde van de 19e eeuw werd de Nieuwe Waterweg de nieuwe zee-verbinding met Rotterdam.